De taal van je darm, in gewone woorden
Microbioom, FODMAP, butyraat, SIBO — de cursus gebruikt vaktermen, maar legt ze altijd uit. Hier vind je ze op één plek terug: 36 begrippen, helder en kort. Handig om iets snel op te zoeken terwijl je leert.
Kernbegrip
- Darm-hersen-as
- De tweerichtingsverbinding tussen je darm en je brein, onder andere via de nervus vagus, hormonen en stoffen die bacteriën maken. Verklaart waarom darm, stemming en energie samenhangen.
- Darmbarrière
- De darmwand laat selectief voedingsstoffen door en houdt de rest tegen. Wordt die barrière doorlaatbaarder ('lekkende darm'), dan kan dat een rol spelen bij ontsteking — een onderzoeksgebied, geen op zichzelf staande diagnose.
- Diversiteit
- Hoeveel verschillende soorten micro-organismen je darm herbergt. Een diverser microbioom is doorgaans veerkrachtiger — het vangt een verstoring beter op.
- Dysbiose
- Een uit balans geraakt microbioom: te weinig diversiteit of een verschuiving naar minder gunstige soorten. Wordt in onderzoek met uiteenlopende klachten in verband gebracht.
- Microbioom
- De volledige gemeenschap van micro-organismen — bacteriën, schimmels en virussen — die in en op je lichaam leeft, met het grootste deel in je dikke darm. In de cursus de 'tuin' die je verzorgt.
Stof & voeding
- Butyraat
- Een korteketenvetzuur dat darmbacteriën uit vezels maken. Butyraat is de belangrijkste energiebron voor de cellen van je darmwand.
- FODMAP's
- Een groep snel fermenteerbare koolhydraten die bij gevoelige mensen gas en buikklachten kunnen geven. Staan centraal in de aanpak bij PDS.
- Gefermenteerde voeding
- Voeding bewerkt met micro-organismen — yoghurt, kefir, zuurkool, kimchi. Levert levende microben én hun nuttige stoffen.
- Histamine
- Een stof in sommige gerijpte of gefermenteerde voeding en door het lichaam zelf gemaakt. Een overmaat kan bij gevoelige mensen klachten geven.
- Polyfenolen
- Kleurrijke plantenstoffen (in bessen, thee, olijfolie, kruiden) die bepaalde gunstige bacteriën voeden. Kleur op je bord is voeding voor je tuin.
- Postbiotica
- De nuttige stoffen die bacteriën maken bij het fermenteren van vezels, zoals korteketenvetzuren. Het 'resultaat' van een goed gevoed microbioom.
- Prebiotica
- Voedingsvezels die selectief gunstige bacteriën voeden (zoals inuline/FOS, GOS en resistent zetmeel). Let op: veel prebiotica zijn ook FODMAP's, dus bij een gevoelige darm rustig opbouwen.
- Probiotica
- Levende, gunstige micro-organismen uit voeding of supplementen. Ze werken stam-specifiek — alleen de volledige stamcode op het etiket telt.
- Urolithinen
- Stoffen die sommige darmbacteriën maken uit polyfenolen (onder andere uit granaatappel en noten). Of en hoeveel je ervan aanmaakt, verschilt per persoon.
- Vezels
- Onverteerbare plantenvezels die jouw gunstige darmbacteriën voeden — de belangrijkste 'brandstof' voor een gezond microbioom.
- Zonuline
- Een eiwit dat de 'poortjes' tussen darmcellen reguleert. Onderzoek koppelt het aan de doorlaatbaarheid van de darmwand.
Anatomie & fysiologie
- Bristol-schaal
- Een internationale 7-puntsschaal voor de vorm van je ontlasting (1 = hard, 4 = ideaal, 7 = waterig). Een handig dagelijks meetpunt in je dagboek.
- Dikke darm
- Het domein van je grote microbioom: hier worden vezels gefermenteerd en wordt water teruggewonnen.
- Dunne darm
- Waar het meeste voedsel wordt verteerd en opgenomen. Hoort relatief bacterie-arm te zijn — te veel groei hier heet SIBO.
- Estrobolome
- De darmbacteriën die meespelen bij de afbraak en recycling van oestrogeen — een verband tussen je darm en je hormonen.
- Maagzuur
- Breekt eiwitten af én doodt de meeste binnenkomende bacteriën — een poortwachter. Te weinig maagzuur heet hypochlorhydrie.
- MMC
- Een 'huishoudgolf' die tussen maaltijden door je dunne darm schoonveegt. Een verstoord MMC wordt met SIBO in verband gebracht — vandaar het belang van rust tussen maaltijden.
- Nervus vagus
- De belangrijkste zenuw-snelweg tussen darm en brein; draagt een groot deel van de darm-hersen-communicatie.
- Slijmlaag
- De beschermende laag op de darmwand waarin gunstige bacteriën leven en die schadelijke stoffen op afstand houdt.
Klacht & patroon
- Coeliakie
- Een auto-immuunreactie op gluten die de dunne darm beschadigt. Vraagt een strikt, levenslang glutenvrij dieet onder medische begeleiding.
- Hypochlorhydrie
- Te weinig maagzuur, waardoor de vertering én de bacteriedodende barrièrefunctie tekortschieten.
- IBD
- Inflammatoire darmziekten zoals de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa: chronische ontsteking van de darm. Altijd onder medische zorg.
- IMO
- Overgroei van methaan-producerende microben, vaak gekoppeld aan constipatie.
- NCGS
- Niet-coeliakie glutengevoeligheid: klachten door tarwe of gluten zónder coeliakie. De echte trigger kan gluten of fructanen zijn.
- PDS
- Prikkelbaredarmsyndroom: een veelvoorkomend patroon van buikpijn, opgeblazenheid en wisselende stoelgang zonder zichtbare schade. Vaak gevoelig voor FODMAP's.
- Schimmelovergroei
- Een verstoorde balans waarbij gisten zoals Candida de overhand krijgen.
- SIBO
- Te veel bacteriën in de dunne darm, waar er juist weinig horen. Geeft onder andere gas en een opgeblazen gevoel.
Microben
- Akkermansia muciniphila
- Een bacterie die in de slijmlaag leeft en met een gezonde stofwisseling in verband wordt gebracht. Wordt onder andere gevoed door polyfenolen.
- Bifidobacterium
- Een geslacht gunstige darmbacteriën, veel gebruikt in probiotica (bijvoorbeeld B. longum subsp. infantis 35624).
- Lactobacillus
- Een grote groep gunstige bacteriën, sinds 2020 opgesplitst in meerdere geslachten (o.a. Lactiplantibacillus, Lacticaseibacillus). Veel in gefermenteerde voeding.
- Saccharomyces boulardii
- Een gunstige gist (geen bacterie) die onder andere bij diarree en náást een antibioticakuur wordt ingezet.
Deze uitleg is educatief en bewust kort gehouden; het is een aanvulling op, geen vervanging van, medische zorg. Bij twijfel over je eigen situatie: overleg met je arts.
